ArtikelenBlogUit de praktijk

Vijf vragen aan …. Piet van Roest

Een symbooldramatherapeut beantwoordt vijf vragen en geeft dan het stokje door aan iemand anders. Corinne Verheule heeft het stokje doorgegeven aan Piet van Roest. Piet is psychiater en vertelt over zijn opleiding symbooldrama en zijn colloquium ´als de bomen gaan slaan´. Hij geeft woorden aan de ´mystieke´ werking van de dagdroom en wenst een overtuigend wetenschappelijk onderzoek.

Wie is Piet van Roest?
Ik ben Piet van Roest. Na mijn specialisatie tot psychiater (1984) werkte ik in de ambulante geestelijke gezondheidszorg.  Als teamcoördinator en sectievoorzitter van de volwassenzorg participeerde ik in beleidsvormingsprocessen en hielp destijds een psychotherapieafdeling op te zetten. Daarnaast was ik ook deeltijd vrijgevestigd psychiater en vanaf 1993 fulltime. Na het opgroeien van onze vier dochters deed ik het werk samen met Jelma, mijn echtgenote, die ondertussen een tweede studie had afgerond en psycholoog was geworden.

1. Hoe ben je met symbooldrama in aanraking gekomen?

Op een internationaal congres in 1990 te Noordwijkerhout maakte ik voor het eerst kennis met symbooldrama. Zes jaar later diende ik mijn colloquiumverslag in en sloot daarmee de opleiding tot K.I.P.-therapeut af. Mijn verslag kreeg de titel “Als de bomen gaan slaan”.  Ik beschreef daarin de tumultueus verlopende imaginaties van een patiënt met een reactieve hechtingsstoornis. Sinds die periode mocht ik ook meedraaien als co-docent bij de opleiding, die toen nog Symbooldrama heette. Mijn leermeesters waren Margret d’Arcais en Truus Bakker. Al gauw kon ik deze methode niet meer wegdenken uit mijn professie. Wat betreft mijn klinische werkzaamheden ben ik nu volledig met pensioen, maar nog niet als leertherapeut, supervisor en parttime docent K.I.P.

2. Bij welke problematiek zet jij vooral symbooldrama in?

Waarbij niet zou ik bijna zeggen. De K.I.P. benut de herhalingsdwang van problematische, onbewuste sensaties. Ervaringen die nog niet op hun plek zijn gevallen blijven zich onbewust alsmaar opdringen, zonder dat we begrijpen waar dit vandaan komt. De katathyme voorstelling verloopt langs een en dezelfde kwetsbare, lichamelijke route naar en vanuit het innerlijk. In mijn praktijk kwamen hoofdzakelijk mensen waarbij deze route geblokkeerd bleek. Ik gebruikte dan niets liever dan de K.I.P. tenzij er eerst met ondersteunende therapie, al dan niet met medicatie, voor stabilisatie gezorgd moest worden.

3. Wat is een dagdroomervaring die je nog steeds bijblijft?

De dagdromen van de cliënt uit mijn colloquium, zal ik niet licht vergeten. Ook omdat ik destijds nog veel moest leren over hoe de beelden goed te begeleiden. Supervisies droegen daar veel aan bij. 

De eerste dagdroom van deze cliënt vertoonde een boomkruin boordevol blad en daarachter een losse stam. De takken begonnen ineens te slaan. Na mijn suggestie om op grotere afstand verder te kijken, merkte hij op dat het leek alsof hij boven een akker zweefde en hij vreesde te gaan vallen. Ook ontwaarde hij een grote steen waarvan hij zei: “Hij geeft me een gevoel van zekerheid, van houvast, aan hem kan ik mij optrekken”. De rust met de steen duurde maar even, omdat hij daarna zijn onderlichaam voelde wegtrekken en de bodem onder hem in drijfzand veranderde. Op mijn aanraden klom hij op de steen en constateerde tot zijn opluchting toen een gevoel van weidsheid en ruimte te ervaren. Hij vertelde: “Het lijkt wel of ik eenzaam op een hoge duintop zit uit te rusten. Het helmgras suist zachtjes, het witte zand biedt een verademend beeld”. 

Gedurende deze therapie werden zijn dagdromen, zo’n twintig in getal, zeker in het begin op stereotype wijze gekenmerkt door gelijksoortige heftige storingstekens. Steeds vaker werden ze afgewisseld met levendige, positieve en speelse beelden. Er kwamen voorstellingen bij over zijn ouders, waarbij hij op beeldniveau zijn boosheid afreageerde of juist aangename herinneringen herbeleefde. Tenslotte was hij, in overeenstemming met zijn hulpvraag, in staat om tegengestelde emoties en conflicten in persoonlijke relaties goed te hanteren. Hij ervoer betrokkenheid en vertrouwen, wat in het begin echt onwerkelijk voor hem was. 

4. Waarom zou iedereen symbooldrama in zijn behandelpakket moeten hebben?

De hechtingstheorie heeft ons geleerd dat sociaal gedrag al op zeer jonge leeftijd in ons lichaam en geest wordt ‘gerepresenteerd’ en dat dit, hoewel verbaal ontoegankelijk, de rest van ons leven gedragingen en gevoelens mede bepalen. 

Psychodynamische therapie komt er vaak op neer dat het aan deze primaire ‘taal’ stem probeert te geven. Er worden dan reconstructies van dit pre-verbale gedachtengoed gevormd aan de hand van observaties van gedrag, expressie van gevoels- en lichaamstaal of spel. Zo worden aan de hand van deze talige reconstructies veranderingen op gang gebracht. 

Volgens mij kan de imaginaire verbeelding van de K.I.P. deze binnenwereld veel directer ‘vastpakken’ en levendig uitdrukken. Daarbij vallen eerdergenoemde pogingen in het niet. De manifeste inhoud van deze ‘dagdromen’ hebben vanuit het innerlijk van de client een oriëntatie, een zin en een opgave, die vraagt om een bewerking. Wanneer deze imaginaties met aandacht, zonder oordeel en duiding worden begeleid, stimuleert dit zelforganiserende processen. Deze beelden worden de dragers van psychische transformatie. Woordeloos laten bestaande ‘representaties’ zich zo corrigeren. Komen er tijdens de nabespreking woorden bij, wat wenselijk is, dan dienen deze woorden vooral als ‘fixatief’ van de beleefde ontwikkelingen. Dat wil zeggen dat je je bewust wordt van vastzittende representaties en hoe dit je wereldbeeld, je zelfbeeld, je mensbeeld heeft gevormd. Met taal ga je dit beter begrijpen (secundair proces) en kun je hierover communiceren met anderen. 

Iedere psychotherapeut zou volgens mij deze methodiek in zijn pakket moeten hebben. Veel therapie beoogt niet zo diepgaand reconstructief te zijn dan de K.I.P. en kan langs allerlei wegen werkzaam zijn, maar ook bij zo’n opzet blijkt dat de K.I.P. zinvol kan worden ingezet. 

5. Wat is je hartenwens met betrekking tot symbooldrama?

Op dat eerdergenoemde congres liep ik tot mijn verbazing professor Jan Bastiaanse tegen het lijf. Hij was de initiatiefnemer geweest van het Centrum ’45 en ik kende hem vaag van de behandelingen van oorlogstraumata met narcoanalyses onder invloed van lsd of pentothal. Tot mijn verassing bleek hij ook adviseur te zijn bij “De Stichting ter bevordering van Symbooldrama Nederland”, zoals de organisatie toen nog heette. Hij vertelde dat de Symbooldrama hem zo aansprak, omdat het een betere werkzaamheid had dan de psychedelica en zo veilig was in de toepassing. Zijn befaamde aanpak heeft hij bij gebrek aan methodologische hulp nooit wetenschappelijk kunnen overdragen. Bij de K.I.P. lijkt dat ook wel het geval. De niet vanzelfsprekend toegekende autoriteit heeft waarschijnlijk te maken met het meerduidige karakter van het non-verbale materiaal waar we mee werken. De wetenschapper kan daar niet zomaar even een ‘thermometer’ in steken.

Na een dagdroom laten we graag een stilte vallen, een vruchtbare ruimte waarin de beelden en de gevoelens nieuwsgierig worden bevraagd en een onbegrensd zoeken van betekenissen kan ontluiken. Wat vaag is, mag uitkristalliseren. Dat is wel wat anders dan de hapklare verbale representaties van de gestandaardiseerde protocollaire methoden (CGT). Wat expliciet is kan meestal sowieso op waardering rekenen in tegenstelling tot datgene wat impliciet is. Voor wetenschappelijke psychologen, en eigenlijk voor bijna iedereen, is evidentie nu eenmaal aantrekkelijker. Het gaat misschien om de vraag hoe wetenschap en de ‘mystiek’ van het bewustzijn wat dichter bij elkaar kunnen komen. Wat dat betreft gaan we misschien met het tegenwoordige multidisciplinaire onderzoek naar de aard van het bewustzijn en de innerlijke ervaring een interessante tijd tegemoet. Ons brein produceert gewaarwordingen die zich afspelen tussen de best mogelijke voorspelling en hallucineren, zo veel is zeker. Daar lijken we het mee te kunnen doen. Via diverse afgeleide factoren zal ook na een therapie met zogenaamd ‘mystieke’, katathyme imaginaties, die naar mijn stellige overtuiging samengeperste wijsheid bevatten, kunnen worden gemeten hoe waardevol dit voor verbetering van psychische klachten kan zijn.  

Mijn hartenwens is daarom dat er ten behoeve van de ‘evidence-based practice’ overtuigend onderzoek op gang komt. Wat zou het mooi zijn als dit op Europees niveau zou plaatsvinden. De randomized controlled trial (RCT) is de zuiverste manier. Een Duits onderzoek om het effect van K.I.P. ten opzichte van de klachten op de baseline te meten is mislukt, omdat de voor K.I.P. uitgelote patiënten, die zich van geen kwaad bewust waren, meer variabelen invoerden door andere therapieën aan te gaan. Zelf ben ik niet zo’n onderzoeker, maar ik hoop dat er mensen zijn die met een goed onderzoeksdesign komen. Misschien kunnen we dan, net als de CGT-therapeuten die ontdekten dat de ‘drop-out’ sterk verminderde door het toevoegen van mentaliseren, aantonen dat de K.I.P. ook een groot voordeel biedt.

Voorstellen voor wetenschappelijk onderzoek zijn welkom en wat zou het fijn zijn als zich daarvoor een sponsor aanbiedt. 

Aan wie geef je het stokje door? 

Ik draag het stokje graag over aan Sandra Ruyling, omdat zij binnenkort als docente gaat meedoen en omdat zij volgens mij wel onderzoekersbloed door haar aderen heeft lopen.